Eigenaren en bewoners

In de loop der jaren heeft het huis vele eigenaren en bewoners gehad. In het begin waren de eigenaren meestal huisjesmelkers, in de loop van vorige eeuw werden de eigenaren juist ook de bewoners. Dit had een positieve invloed op de leefbaarheid van het huis.

Driemaal agent van politie

De eerste bewoner van de Hopsteeg 41 is Gijsbertus van Tricht. Hij komt met vrouw en kind over van de Crommelinlaan. In de Hopsteeg komen er nog drie kinderen bij, waarvan er twee binnen het eerste levensjaar overlijden. Als agent van politie haalt hij regelmatig de krant vanwege het aanhouden van dieven, dronkaards en stropers. Ook  slingerde hij een tapster op de bon die sterke drank bleef schenken aan iemand in kennelijke staat.

Uit de Delftsche Courant van 1883 (bron: Delpher)

In 1882 meende hij, samen met een aantal collega’s waaronder een van de volgende bewoners, de gemeenteraad te moeten vragen om een loonsverhoging. Daar werd echter afwijzend op gereageerd. 

Als Van Tricht in 1886 verhuist, is de volgende bewoner, Johannes Platenkamp, opnieuw een agent van politie. Hij is afkomstig uit Enschede. Hij haalt de krant met het in de kiem smoren van een brand in een bakkerij aan het Oude Delft. Dit deed hij samen met zijn collega Bastiaan Vliegenthart, die op zijn beurt de woning van hem zal overnemen, als hij na enkele jaren weer terug verhuist naar het oosten van het land.

Vliegenthart woont langere tijd in de Hopsteeg. In 1884 neemt hij zijn intrek in Hopsteeg 41 en huurt er tot 1908 verschillende huizen. Hij krijgt maar liefst dertien kinderen, waarvan er helaas vier in het eerste levensjaar overlijden. Bij de geboorte van zijn laatste kind is de eerste al 22 jaar oud. Zij gaat op een gegeven moment samen met een zus in een ander huis aan de Hopsteeg wonen. 

Een noodlottig ongeval dat hij in zijn werk opliep, dwingt hem te verhuizen. Tot een van zijn taken behoorde diensten te doen als torenwachter. Daarbij viel hij op een onheilsdag van de torentrap. Hij brak daarbij zo ongelukkig zijn arm dat hij voorgoed invalide werd. Zijn werk als diender kon hij daardoor niet meer uitoefenen. Hij moest de gemeenteraad om eervol ontslag vragen en smeken om een klein pensioentje. In die tijd voor de sociale wetgeving moest je daar namelijk nog om bedelen. Aan de overkant van de straat begint hij een winkeltje en gaat onder andere loten verkopen. Ondertussen is hij ook actief lid van een zangvereniging.

Bomvol en vochtig

Gerardus van Ginkel wordt de eerste bewoner die geen politieagent is. Hij is dan bloemist. Als hij in 1904 het huis gaat bewonen heeft hij al op twee andere adressen in de Hopsteeg gewoond. Hij heeft in 1904 een gezin met zeven kinderen. Vijf andere kinderen zijn dan al overleden. Nog in hetzelfde jaar komt de oudste zoon van 20 jaar te overlijden. ’s Winters is de vader van het gezin waarschijnlijk geregeld werkloos, want zijn naam komt voor op een lijst mensen die voor een magere financiële ondersteuning brei- en naaiwerk moeten verrichten in de Gemeentelijke Werkinrichting in het ‘Wapen van Savoie’ aan de Oude Delft.

Als zij er een jaar wonen wordt het huis door de gezondheidscommissie onderzocht in het kader van een groot onderzoek naar de woonomstandigheden van het armere deel van de bevolking. Het is nu bijna niet meer voor te stellen hoe een gezin met (toen) zes kinderen moest wonen in dit krappe huis, dat bovendien veel te vochtig bleek te zijn. De ouders sliepen in een bedstee in de woonkamer, de twee dochters op de eerste verdieping en de vier zoons op de (lage, onbeschoten) zolder.

Van Ginkel wordt vervolgens plantsoenwerker. Dat verklaart waarschijnlijk dat zijn naam regelmatig in de Delftsche Courant verschijnt onder ‘Gevonden voorwerpen’. Verder heeft hij een verkooppunt voor toneeluitvoeringen, waar hij vermoedelijk zelf ook een rol in speelde. Na het overlijden van zijn vrouw in 1922 verlaat hij de Hopsteeg. 

Tijdens de huurperiode van Van Ginkel verkoopt Wolff in 1906 voor zeventienduizend gulden de negentien panden in de Hopsteeg aan Ferdinand van Dop, een winkelier in kruidenierswaren aan de Voorstraat. Van Dop had in de stad nog een groot aantal andere woningen waar hij de huur ophaalde, onder andere bij het eerder beschreven Achterom 61. Saillant detail is dat mijn grootouders Van der Kruk in dit pand hun groentezaak begonnen. 

Huiseigenaar/bewoner

Na het vertrek van Van Ginkel verkoopt huisbaas Van Dop het pand in 1923 aan Cornelis Eekhout die er zelf gaat wonen. Voor die tijd was het in de Hopsteeg vrij ongebruikelijk dat een bewoner ook huiseigenaar was. Eekhout had verschillende, nogal uiteenlopende beroepen: als hij in de Hopsteeg gaat wonen is al scheepsmaker, tuinder, loswerkman geweest. Hij heeft dan een gezin met vijf kinderen. Twee andere kinderen zijn al het huis uit. 

In 1932 krijgt hij toestemming om het huis te verbouwen. Details hiervan zijn helaas niet meer beschikbaar. Twee van zijn dochters krijgen verkering met twee broers die aan de overkant op nummer 24 wonen, wat in beide gevallen in een huwelijk uitmondt. Zij krijgen later elk een twaalfde deel van het huis in eigendom. Na de dood van zijn vrouw verlaat Eekhout het huis en gaat wonen in Huize Vincentius, het oude mannen- en jongenshuis aan de Kantoorgracht bij de Paardenmarkt.

Plattegrond na verbouwing (1956)

Geboortehuis

In 1948 verkoopt de familie Eekhout het huis aan Marinus Prins die het weer gaat verhuren. Zijn erfgenamen verhuren het huis in september 1955 aan mijn ouders: Hendricus Stephanus van den Berg en Petronella van der Kruk. Zij gaan hier wonen met hun dochter Anneke. Op Vaderdag 1957 stond hier mijn wieg. Helaas komt mijn moeder op 15 juli 1959 te overlijden. Omdat mijn vader werkzaam was in de bouw en vroeg op de bouwplaats moest zijn, waren de overburen (de heer en mevrouw Baart op nummer 30) een opvang voor mijn zus en mij. Om praktische redenen verhuizen wij in april 1960 naar de Eliza Dorusstraat, waar familieleden wonen. 

Rond deze verhuisdatum gaat ook het eigendom over, te weten naar de groentehandelaar Pieter jr. van der Aden. Hij verhuurt het huis aan Benjamin Christiaan Weltevrede. Ook dit gezin wordt door groot leed getroffen als hun zoontje van nog geen twee jaar in de Hopsteeg komt te overlijden. Kort daarna verhuizen zij. Van der Aden verkoopt het huis in 1968 aan Yke Gerke Vermeiden die het vermoedelijk ook verhuurt.

Nieuwe generatie huiseigenaren

In 1971 is Annemarieke Schipper weer de eerste eigenaresse die het huis zelf gaat bewonen, zoals onderhand in de straat vaker voorkomt. Vanaf de jaren ‘70 beginnen verhuurders massaal hun verkrotte huisjes in de binnenstad aan klussers te verkopen die er hun eigen kasteeltje van maken. Sindsdien zijn vrijwel alle eigenaren ook de bewoners van het huis.

Huidige bewoners

Voorafgaand aan mijn onderzoek ben ik in de zomer van 2024 kort in het huis geweest en heb ik kennis gemaakt met de huidige bewoners.

Aan het huis bewaarde ik al geen herinneringen en deze kwamen er ook niet toen ik in het huis was. Wel is het heel bijzonder om met jonge mensen kennis te maken die zich helemaal gesetteld hebben in het huis, zonder weet te hebben van wat er zich in het huis en de straat allemaal heeft afgespeeld.

3 Comments

  • Gerrie Middelkoop 22 juni 2025 at 15:20

    Jouw onderzoek naar dit mooie stukje Delftse geschiedenis waarin jouw geboortehuis een belangrijke rol speelt heeft heel wat uurtjes in beslag genomen.
    Het resultaat, daar mag je heel trots op zijn!

    Reply
    • Piet 2 juli 2025 at 16:24

      Dat ben ik inderdaad stiekem ook wel een beetje. Het is verrassen hoeveel informatie he zo naar boven kunt halen!

      Reply
  • Anneke J.M. van den Berg 17 augustus 2025 at 05:27

    Mooi Piet. Herinneringen. Voorbij, voorbij die tijd.

    Reply
  • Leave a Reply

    Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

    Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.